Over Bram

Mijn ouders hebben allebei een moeilijke jeugd gehad en dat had z’n weerslag op onze opvoeding. Er was veel ruzie thuis en weinig liefde. Mijn vader was veel aan het werk, maar mijn moeder was er vroeger nog wel voor ons.

En ik dan?

Op een gegeven moment gingen mijn ouders elkaar ontlopen en zochten zij allebei een toevlucht. Mijn moeder is een tijdje computerverslaafd geweest. Als ik dan thuiskwam zat ze als een soort zombie achter de computer en kon ze mijn vragen nauwelijks beantwoorden. Mijn vader ging vaak naar het casino na zijn werk en was dus vaak weg. Als kind zat ik daar maar tussen. En ik dan?, dacht ik.

Te weinig brood

Ik heb een oudere zus. Zij voelde zich altijd verantwoordelijk voor mij. Ze zorgde ervoor dat ik niets tekortkwam. Als er eens te weinig brood was thuis, dan liet ze het laatste beetje over voor mij, zodat ik nog lunch had.

Geen hulp, geen netwerk

Mijn ouders hebben beide psychische problematiek, maar allebei geen diagnose. Ze erkennen niet dat er iets met hen aan de hand is. Vooral mijn vader niet. Ze hebben geen hulp gezocht en ook niet echt een sociaal netwerk. Mijn vader heeft trekken van narcisme en het zou mij niet verbazen als mijn moeder, net als ik, een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft.

Echte vrienden

Ik ging vaak naar vriendjes en vriendinnetjes toe na school, om maar niet thuis te hoeven zijn. Maar echte vrienden had ik niet. Ik had het idee dat ik niet echt mezelf kon zijn. Ik heb nooit geprobeerd om over mijn thuissituatie te vertellen. Ik heb wel eens wat verteld, maar dan dachten ze dat ik een grapje maakte.

Bram: 12-18 jaar

Het ging steeds minder goed thuis. Toen ik veertien was gingen mijn ouders uit elkaar. Dat werd een vechtscheiding. Toen is jeugdzorg betrokken geweest. We hebben een keer een gesprek gehad. Ze gaven daarna aan dat we aan een familiepraatgroep konden deelnemen. Omdat er inmiddels zoveel was gebeurd in de vechtscheiding voelde dat als een beetje laat. Toen we het nodig hadden, was het er niet.

“Na de scheiding werd ik de man in huis.”

Beschermen

Na de scheiding werd ik de man in huis. Ik voelde dat ik moest zorgen voor mijn moeder en haar moest beschermen omdat ze zo fragiel en onzeker was. Ik heb heel lang het gevoel gehad dat ik moest zorgen voor mijn moeder, in plaats van zij voor mij.

Ze was heel onberekenbaar. Het kon heel leuk en gezellig zijn, maar je wist ook: dan gebeurt er iets en is mijn moeder weer weg. Door emotionele chantage van haar kant (ze zei bijvoorbeeld dat ze een einde aan haar leven zou maken) kon ik niet zeggen wat ik nodig had. Ik was bang om de situatie erger te maken voor haar. Mijn moeder en zus hadden ook altijd ruzie. Ik trok me daarom terug en dacht: ik los zelf mijn problemen op.

Mijn zus

Toen ik zestien was ging mijn zus uit huis. De relatie met mijn zus werd toen beter. Daarvoor hadden we altijd ruzie. Omdat mijn moeder verhuisd was, woonde ik toen in mijn eentje bij mijn vader. Ik heb altijd het gevoel gehad dat hij liever wilde dat mijn zus bij hem woonde. Mijn vader en zus hadden altijd een goede band. Als ik een conflict had met mijn zus beschermde mijn vader haar heel erg. Als hij mij meevroeg naar een concert, dacht ik: ik mag alleen mee omdat mijn zus niet kan.

Doorvragen

Ik vond mijn schooltijd heel fijn. Het was een echte uitlaatklep. Dat ik het lastig had thuis was niet goed zichtbaar. Ik was wel druk en had soms driftbuien, maar dat werd misschien gezien als ADHD. Ik dacht lange tijd: wat is er mis met mij? Ik had een gesprek met de mentor en ben daarna naar de schoolmaatschappelijk werker gegaan, want het ging helemaal niet goed.

Ik vond het fijn dat er een plek was waar ik kon vertellen, maar was teleurgesteld toen het ineens stopte. Ik was boos en dacht: waarom heb je dit allemaal niet gezien? Terwijl ik het ook niet allemaal durfde te vertellen. Ik was suïcidaal en lag daar iedere nacht wakker van. Omdat ik ook leuk kon doen, dacht ze misschien dat het meeviel, maar ze had eigenlijk moeten doorvragen.

Opnieuw mijn verhaal vertellen

Daarna heb ik gesprekken gehad met een sociaal werker van de gemeente. Dit waren heel goede gesprekken. Helaas was mijn problematiek te heftig voor wat zij kon doen. Ze stuurde me daarom door naar de huisarts, die me doorverwees naar de POH-GGZ. Dat hielp niet echt. Het voelde als een stap terug, omdat ik opnieuw mijn verhaal moest vertellen.

Jongeren geven een:

Tip voor de professional

Bram: 18-25 jaar

Op mezelf gaan wonen vond ik heel fijn. Ik kon de situatie thuis eindelijk meer loslaten. Maar ik vond voor mezelf zorgen lastig. Koken en gezond eten vond ik moeilijk. Thuis waren de eetmomenten namelijk nooit gezellig. Ook had ik weinig discipline om dingen te doen. Ik heb namelijk nooit geleerd om ergens hard voor te werken. Mijn ouders hebben me nooit gepusht. Als ik op de middelbare school een slecht cijfer haalde, wist ik dat dat niet uitmaakte omdat ze toch niet naar de ouderavond kwamen.

In behandeling

Een halfjaar nadat ik op mezelf was gaan wonen kreeg ik een relatie en had ik last van heftige gedachtes. Ik ben toen naar de huisarts gegaan die me heeft doorverwezen naar de basis GGZ. Ik vond dit een deceptie, omdat we het niet over de juiste dingen hadden. Het ging voornamelijk over de vechtscheiding en over mijn relatie (bijzaken) maar niet om mij in het hier en nu. Hier heb ik dus weinig aan gehad.

Een jaar daarna ging ik naar de specialistische GGZ. Toen heb ik mijn diagnose gekregen. Het was de eerste keer dat ik dacht: wauw: ik word gehoord. Er zat eindelijk iemand tegenover me die door me heen kon prikken. Ik ben drie jaar in behandeling in geweest en heb dit als heel positief ervaren.

Meer begrip

Toen ik mijn diagnose en therapie kreeg ontstond er meer begrip bij mijn zus en kregen we een betere band. We hebben onze jeugd verschillend ervaren. Eerst gaf dat wrijving, maar nu beseffen we dat we allebei een verhaal hebben en dat daar, naast overeenkomsten, ook verschillen in zitten. Dat betekent niet dat het niet waar is.

“Bij de specialistische GGZ dacht ik voor het eerst: ik word gehoord.”

Jongeren geven een: 

tip voor de professional

Bram: 25-40 jaar

Ik werk niet op niveau, omdat ik bang ben dat ik het niet aankan, dat ik het verpest of mensen voor de gek houd. Dat heeft te maken met onzekerheid. Sommige mensen springen gewoon ergens in en denken: linksom of rechtsom – ik kom wel op mijn pootjes terecht. Bij mij is het meer van: ik heb een plan en dat plan mag niet falen, want anders kan ik mijn huur niet betalen en dan sta ik op straat. Dat heeft te maken met dat je dat vangnet van je ouders niet echt hebt.

Meer mezelf

Door mijn vrienden kan ik meer mezelf zijn. Dat heeft me echt geholpen. Ik ben er rustiger van geworden. Ik vind het fijn om samen leuke dingen te doen en het over dingen te kunnen hebben. Als het gaat om relaties voelt het voor mij nu niet meer alsof ik een relatie ‘moet’ hebben. Ik zie het meer als een leuke toevoeging.

Kinderen

Of ik kinderen wil, weet ik niet. Maar als ik kinderen krijg, zou ik een goede vader kunnen zijn, omdat ik mijn problemen heb aangepakt. Ik ben me er ook van bewust wat ik níet voor mijn kinderen wil.

“Ik werk niet op niveau, want ik ben bang dat ik het niet aankan.”

Een leuker mens

Ik ben blij dat ik hulp heb gezocht en dat ik bezig ben geweest met alle puzzelstukjes om het beter te maken. Ik kan zaken beter aangeven en weet beter waar ik behoefte aan heb. Zo kan ik in de toekomst voor anderen een leuker mens zijn.

Jongeren geven een: 

Tip voor de professional